bespreken

التعريفات والمعاني

== Dutch == === Etymology === From Middle Dutch besprēken, from Old Dutch *bisprekan, from Proto-Germanic *bisprekaną. Equivalent to be- +‎ spreken. === Pronunciation === IPA(key): /bəˈspreːkə(n)/ Hyphenation: be‧spre‧ken Rhymes: -eːkən === Verb === bespreken (transitive) to discuss Synonyms: het hebben over, bediscussiëren Laten we de plannen voor het evenement bespreken tijdens de vergadering. ― Let's discuss the plans for the event during the meeting. Ze hebben besloten om de kwestie intern te bespreken voordat ze een beslissing nemen. ― They have decided to discuss the matter internally before making a decision. We hebben uitgebreid de mogelijkheden besproken en zijn tot een consensus gekomen. ― We have thoroughly discussed the possibilities and reached a consensus. ==== Conjugation ==== ==== Derived terms ==== ==== Descendants ==== Afrikaans: bespreek == Middle Dutch == === Etymology === From Old Dutch *bisprekan, from Proto-Germanic *bisprekaną. Equivalent to be- +‎ sprēken. === Verb === besprēken to talk about, to discuss to agree, to make an agreement ==== Inflection ==== This verb needs an inflection-table template. ==== Descendants ==== Dutch: bespreken Limburgish: bespraeke === Further reading === “bespreken”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000 Verwijs, E.; Verdam, J. (1885–1929), “bespreken”, in Middelnederlandsch Woordenboek, The Hague: Martinus Nijhoff, →ISBN