belezen
التعريفات والمعاني
== Dutch ==
=== Pronunciation ===
IPA(key): /bəˈleːzə(n)/
Hyphenation: be‧le‧zen
Rhymes: -eːzən
=== Etymology 1 ===
From Middle Dutch belēsen. Equivalent to be- + lezen.
==== Verb ====
belezen
(transitive) to exorcise
(transitive) to convince, persuade
===== Conjugation =====
===== Synonyms =====
(enchant): bezweren
(exorcise): uitdrijven
=== Etymology 2 ===
From belezen, past participle of belezen.
==== Adjective ====
belezen (comparative belezener, superlative belezenst)
well-read (well informed and knowledgeable because of extensive reading)
Hij is een belezen man en kan over veel verschillende onderwerpen meepraten. ― He is a well-read man and can discuss many different topics.
Ze is zeer belezen en heeft een brede kennis van literatuur. ― She is very well-read and has a broad knowledge of literature.
(by extension) book-smart, erudite
De bibliothecaris is erg belezen en kent veel boeken uit zijn hoofd. ― The librarian is very erudite and knows many books by heart.
===== Declension =====
===== Derived terms =====
belezenheid
=== Etymology 3 ===
See the etymology of the corresponding lemma form.
==== Participle ====
belezen
past participle of belezen
===== Declension =====